Harlingen, boekhandelaar-geleerde kocht Friese stedenkaarten

illustratie boekhandelaar-geleerde kocht Friese stedenkaarten
Uit: Leeuwarder Courant, 9 februari 1953

- Gegevens uit bronnen worden zorgvuldig overgenomen, maar lees- en typfouten zijn onvermijdelijk.
- Gegevens die niet in de bron staan maar door mij zijn aangevuld op basis van andere bronnen of andere gegevens uit dezelfde bron, zijn voorzien van een *.
- Gegevens die door mij aangepast of geïnterpreteerd zijn, zijn zoveel mogelijk voorzien van een verduidelijkende toelichting tussen [ ].
- Bij het overnemen van eigennamen is de originele spelling gehandhaafd. Soms is echter te voorzien dat een kennelijke schrijf- of spelfout in de bron een probleem zal geven bij het zoeken naar een eigennaam of bij het maken van een alfabetische index. In zo'n geval is de juiste of meest voorkomende spelling van een eigennaam aangehouden, met toevoeging van een toelichting tussen [ ].
- Bij het overnemen van plaatsnamen, straatnamen en beroepen die in alfabetische indexen terecht komen is voor zover mogelijk de moderne spelling aangehouden, om het zoeken te vereenvoudigen. Mogelijk staat in een bron bijvoorbeeld Doccum, terwijl op deze website Dokkum staat. Zo wordt een glaesemaecker een glasmaker of glazenmaker. Die spelling is voor het doel van deze website (het ontsluiten van bronnen, niet het transcriberen van bronnen) niet belangrijk.


Bij Van Deventers kaart van Harlingen

Wie iets wil weten van Friese topografie ga naar het Prentenkabinet van het Fries Museum en, wat Leeuwarden betreft, naar het Stadsarchief. Natuurlijk, de Provinciale Bibliotheek heeft ook het een en ander, maar het voornaamnste, het oudste, zit toch wel bij het Genootschap en het Leeuwarder gemeente-archief. Op het ogenblik wordt een poging ondernomen alle prenten, die er van Friese dorpen en steden zijn, in kaart te brengen. Sommigen verwachten, dat hierbij niet veel onbekends voor den dag zal komen, want "het meeste is toch wel te Leeuwarden aanwezig".

Een Leeuwarder boekhandelaar-geleerde in actie
Dat onze hoofdstad zo rijk is, is in hoofdzaak te danken aan het werk van één man, de boekhandelaar-archivaris Wopke Eekhoff. Zijn naam wordt steeds met een glimlach uitgesproken en ongetwijfeld, de "selfmade-man", die Eekhoff was, had iets over zich, dat ook reeds de spotlust van zijn tijdgenoten opwekte. Hij was juist even te veel overtuigd van zijn eigen waarde, hij was in zijn enthousiasme soms te goedgelovig en hij, de van afkomst eenvoudige burgerman, deed iets te deftig. Dat neemt echter niet weg, dat wij hem steeds weer met dankbaarheid moeten gedenken. Hij is het vooral geweest, die in een tijd, toen nog verzameld kòn worden, de stoot daartoe gegeven heeft. Er waren andere verzamelingen, bv. die van J.H. Halbertsma, maar wij doen niemand te kort, als wij zeggen, dat het zeker ook aan Eekhoffs ijver te danken is, dat het Fries Museum zo rijk is geworden. Hij was behalve geleerde ook practisch zakenman en had een fijne neus en dat kwam de Genootschappen van pas.

Eekhoffs "divinatorische geest"
Een van de belangrijkste veroveringen, die Eekhoff gedaan heeft, is de collectie van ruim 200 Nederlandse stedenplans van Jacobus van Deventer. Op de Prov. Bibliotheek is daarover een briefverzameling aanwezig (114 stuks) die ons nauwkeurig inlicht over deze affaire. Het is een zeer boeiend geheel, waaruit wij volop de zakenman-geleerde, die Eekhoff was, leren kennen.
De collectie-Van Deventer was oorspronkelijk door Fred. Muller te Amsterdam gekocht uit een "oude rommelzoo" te Den Haag (1850). De kaarten stamden met verschillende manuscripten en autografen van Francois van Aerssen, heer van Sommelsdijk, de gezant van de Staten in Frankrijk en Engeland, en van diens naamgenoot, de vice-admiraal. Muller kocht het zaakje voor ƒ 51 en deed op eigen houtje nasporingen over de eerst onbekende auteur van de kaarten. Hij kwam er echter niet uit. De toenmalige autoriteiten, archivarissen, die nu nog steeds een goede naam hebben, waren helemaal niet enthousiast over zijn verovering, zodat Muller zich ook niet erg aangemoedigd voelde.
Dan komt Eekhoff (1865). Deze kende zijn litteratuur en in 'n artikel van Dr. Molhuysen in de Overijselse Almanak van 1839 had hij gelezen van "minuten" (= kladtekeningen) van stedenplans van Van Deventer, waarover Viglius van Aytta had geschreven. Hij voelde ineens, dat de plans van Muller en de in 1575 bij de vrouw van Van Deventer, Barbe Smets, te Mechelen aanwezige minuten dezelfde waren. Als zakenman zei hij echter niets, maar kocht, toen hem de gelegenheid daartoe geboden werd, de plans van Muller voor ƒ 300.
Kostelijk is een opmerking in een brief, dat de plans wel erg klein zijn, dat zeventien steden ontbreken en negen à tien beschadigd zijn. Hij wil ze echter hebben, mits hij de Friese portretten - een andere collectie - billijk krijgt. Als de buit binnen is, licht hij Muller in. Het tekent deze Amsterdamse ras-antiquair, dat hij Eekhoff zijn hulde brengt, ook al poogt hij tegelijk de zaak terug te kopen. Hij meent, dat de handelaaren (Eekhoff en hijzelf) "een divinatorische geest hebben, die aan de archivarissen vaak ontbreekt"!

De kaarten komen op de plaats waar ze behoren
Uit de te Leeuwarden aanwezige briefverzameling vernemen wij, hoe Eekhoff de plans, die tussen 1555 en '75 in opdracht van het Spaans gezag gemaakt zijn, keurig opgeplakt heeft en vergezeld van de corresponderende stedenplans van Blaeu aan de verschillende provincies te koop heeft aangeboden. Hij had het gevoel, dat deze plans niet naar particulieren moesten, maar voor de latere studie bewaard moesten blijven.
Hoewel het hier en daar moeite kostte, lukte het werkelijk de eenvoudige, maar zeer belangrijke tekeningen ter bestemder plaatse te krijgen. Alleen Noord-Brabant ging door traagheid aan België verloren. Eekhoff behaalde een behoorlijke winst en bestudeerde ondertussen de kaarten zo goed als dat bij de stand van de wetenschap van die dagen ging. In De Navorscher van Juli 1866 legde hij zijn bevindingen neer in een artikel: "Jacobus v. Deventer, vervaardiger van de oudste kaarten van de nederlandsche en belgische provinciën en steden", een stuk, dat nog steeds lezenswaard is.
Dat Eekhoff goed gezien heeft is nu algemeen erkend. De Belgische autoriteiten eerst en daarna ook de Nederlandse hebben de stedenplans nu alle uitgegeven in facsimile. De Nederlandse verschenen onder de titel: "Nederlandsche steden in de 16de eeuw. Plattegronden van Jacobus v. Deventer.... met eene inleiding van R. Fruin, Alg. rijks-archivaris. Den Haag 1916-'23".
Het is duidelijk, dat Eekhoffs politiek om de plans in de verschillende provinciale archieven onder te brengen, deze uitgave zeer bevorderd heeft. De uitgave is vollediger dan in Eekhoffs dagen mogelijk was, omdat al de ontbrekende plans uit een soortgelijke, maar vollediger verzameling te Madrid konden worden aangevuld. Daardoor kunnen wij nu het respectabele werk van de zestiende eeuwse kartograaf, die een 320-tal steden heeft moeten bezoeken en alles zoveel mogelijk zelf gedaan heeft, bewonderen. Het is Van Deventers belangrijkste werk, belangrijker b.v. dan zijn provinciekaarten. Wanneer wij bedenken, dat deze plans hebben moeten dienen als "stafkaarten" voor de Spaanse troepen - maar net iets te laat kwamen! - bekijken wij de kaarten met interesse. De geschiedenis van de eerste jaren van de tachtigjarige oorlog wordt er veel duidelijker door.

Bij de oudste kaart van Harlingen.
Wij hebben bij dit artikel Van Deventers kaart van Harlingen gevoegd. Het is de oudste kaart, die wij van Frieslands havenstad hebben en een sprekende herinnering aan de periode van langzame groei, die tot 1570 duurde. De stad is nog de helft kleiner dan in de zeventiende eeuw en later.
Het meest opvallende van deze kaart is het blokhuis links en de kerk van Almenum, nu de grote kerk van Harlingen, rechts onder. Het blokhuis is in 1495 gebouwd aan de zuidkant van de stad, maar het werd spoedig daarna in de strijd tussen de Schieringers en Vetkopers door de Franekers vernield. In de Saksische tijd kwam het aan de zeekant bij de kleine haven te staan. Zo had men een invalspoort vanuit Holland. Het blokhuis moet zeer stevig geweest zijn. Winsemius zei later "dat het dick was van muragie ende wel voorzien met poorten, grachten en cruyt, loodt en andere provisie". Er werd steen van de omliggende stinsen gebruikt om deze dwingburcht op te richten. Het beheerste het zestiende eeuwse Harlingen, tot het in 1580 "gedemantilleert" werd. het woonhuis van het kasteel bestond als Blauwhuis voort, tot er in de zeventiende eeuw de Westerkerk gebouwd werd. De straatnamen Vijverstraat en Herenknechtenkamerstraat herinneren nog aan dit oude blokhuis.
Op deze kaart van Van Deventer, die haast precies zo door Braun en Hogenberg is overgenomen voor hun stedenboek, zien wij verder de St. Michielsdom van Almenum buiten de stad en rechts de reeds uit de veertiende eeuw stammende vaart naar Leeuwarden. Het stadplan verklaart verder, hoe wij de oude straatnamen Noorderwal en Zuiderwal moeten verstaan. De stad ging noordelijk niet verder dan tot de tegenwoordige Zoutsloot - een herinnering aan de vele zestiende eeuwse zoutketen - en zuidelijk tot de Schritsen, een wonderlijke, nog niet verklaarde naam. in het oosten eindigde Harlingen bij het Noordijs, de oude Oosterwal. In het Zuidoosten was later aan de buitenkant van het water een Snakkerburen, een van de zovele in Friesland, waarbij wij nog steeds in twijfel zijn of wij aan "snakken" (= praten) moeten denken, dan wel aan snikschepen.
Het kaartje is simpel, maar voor de geschiedenis belangrijk. Niet enkel, dat men er straatnamen uit leert begrijpen, maar ook wordt het duidelijk, waarom deze stad precies zo gegroeid is.