Harlingen, in de geschiedschrijving van Ubbo Emmius 1616


- Gegevens uit bronnen worden zorgvuldig overgenomen, maar lees- en typfouten zijn onvermijdelijk.
- Gegevens die niet in de bron staan maar door mij zijn aangevuld op basis van andere bronnen of andere gegevens uit dezelfde bron, zijn voorzien van een *.
- Gegevens die door mij aangepast of geïnterpreteerd zijn, zijn zoveel mogelijk voorzien van een verduidelijkende toelichting tussen [ ].
- Bij het overnemen van eigennamen is de originele spelling gehandhaafd. Soms is echter te voorzien dat een kennelijke schrijf- of spelfout in de bron een probleem zal geven bij het zoeken naar een eigennaam of bij het maken van een alfabetische index. In zo'n geval is de juiste of meest voorkomende spelling van een eigennaam aangehouden, met toevoeging van een toelichting tussen [ ].
- Bij het overnemen van plaatsnamen, straatnamen en beroepen die in alfabetische indexen terecht komen is voor zover mogelijk de moderne spelling aangehouden, om het zoeken te vereenvoudigen. Mogelijk staat in een bron bijvoorbeeld Doccum, terwijl op deze website Dokkum staat. Zo wordt een glaesemaecker een glasmaker of glazenmaker. Die spelling is voor het doel van deze website (het ontsluiten van bronnen, niet het transcriberen van bronnen) niet belangrijk.


Harlingen is nu nae Leeuwarden, de grootste, machtigste en volckrijckste stadt van Vrieslandt. 't Geluck is haer soo gunstigh geweest, datse van een kleyn onbekent dorp, gelegen op 'de grensen aan de westsijde van Westergoo, tot dusdanigh een treffelijcke staat gekomen is.
Haar eerste begin waren eenige huysen, tusschen twee adelijcke wooningen gebouwt, wiens Heeren Harlinga en Harns genoemt werden: dit was oorsaeck, dat men deze plaats, die allengs tot de gedaente van een dorp aangroeyde, nu d'eene en dan d'andere naam dezer edele Heeren gaf, en somtijds in twijfel was, welcke van beyde sy behoorde te hebben; totdat de monicken van Ludingkercke 't huys van Harlinga deden afbreken, op wiens gront dit dorp uytgestreckt en grooter gemaeckt wierd, waer door de naem Harlinga meest begon gebruyckt te worden; in voegen, datse die eyndelijck geheel behield welcke sedert in Harlingen verandert is.
Sekere Geschiedenissen, door Andreas Cornelius vergadert, daer men niet al te vast op gaen magh, melden, dat Harlinga in 't jaar MCCXXXIV [1234] verwoest is ; maar 't is gelooflijcker, dat de zee allengs in dit dorp ingebroken is, en sommige huysen ingeswolgen heeft, waer door het dieper in 't land naar 't oosten, niet wijt van Almeno, 't welck toen onder 't gebied van Franeker was, verplaatst is.
Sedert heeft het gedurig toegenomen, de huysen en inwoonders zijn vermeerdert. Sy verkregen 't recht van een marckt te houden, en daer na van een stadt te maken, hoewel sy terstont niet met muren besloten wierd; en wanneer dat geschiet is, heb ick in geen historien konnen vinden; de gemelde Andreas Cornelius maeckt er eenighsins gewagh af; maar ick derf het u, op sijn seggen, niet versekeren; opdat ick niet te lichtgeloovigh sou sijn.

Dit kan ik met meerder vastigheyt seggen, dat de Groningers hier een kasteel, met een wal en graft besloten, omtrent het jaar MCCCCXCVI [1496] gebouwt hebben. Vier Jaren daar na heeft Albert van Saxen, die uyt Hollandt komende hier te lande quam, door sijn soon een ander kasteel, stercker dan 't eerste, dat t'eenemael over de kust gebood, doen bouwen, 't welck, met vele krijghswercken, die daer sedert by gemaeckt sijn, tot de volkomen herstelling der oude gulde vryheyt van wesen bleef; want toen is 't van d'inwoonders vermeestert, en ten meestendeel neergeworpen, om alsoo de toom der stadt en 't naburigh gewest te vernielen. Wanneer datse eerst gesterckt is, kan men niet weten; dan 't is seker, datse niet seer out is.
Sy is in 't jaar MDXLIII [1543] vergroot, om dat er een menighte volcks van verscheyde plaetsen toevloeyde: daer na wederom in de jaren MDLXXIX [1579] en 't volgende door prins Willem van Oranje uytgeleyt, die niet alleen van meening was, om haer de schoonste haven van Vrieslant te maken; maar oock door dat middel hen te nauwer met Hollant te verbinden, op datse een bequame zeestadt sou worden, om daar somtijts scheeps-vloten toe te rusten, en daer uyt tegen de Spaenschen te fenden: waerom hy haer oock met een aerde wal, en een diepe en breeds graft omringde, na dat hy het dorp Almeno, daer wy van gesproken hebben, daer in getrocken had.
In 't jaer MDXCVII [1597] is sy, tot gerief der inwoonders, die sich kloeckelijck tot de koophandel begaven, ten derde mael vergroot: want daer waren geen huysen genoegh voor de winkeliers en wercklieden, die hier dagelijcks quamen woonen. Men dee de haven breeder maken, omdat de schepen te bequamer uyt en in souden komen, en te beter konnen overwinteren; in 't kort, sy wierd toen in soodanigh een staet gestelt, gelijckse nu noch is.

De zee besproeyt omtrent het vierde deel der stadt; doch op dat dit vreeslijck element met het gewelt van sijne baren haer niet beschadigen sou, is sy met steene wallen dijcken en andere wercken aen die sijde genoegh versorcht.


Hare gedaente is bijna vierkant, en haer omring een weynigh minder dan die van Leeuwarden. De wallen zijn met acht groote bolwercken verzien, die zoo konstigh geleyt zijn, datse elckander zoo wel als de stadt konnen beschermen. Hare gelegenheyt is te stercker om datse rontom laege landen heeft, die men door de sluysen onder water kan zetten, zoo datse niet wel te belegeren is. De landeryen rondom zijn vruchtbaer, daer verscheyde groote dorpen in legen, die sonder de stercke dijcken, welcke aen de noord-sijde tegen de bruysende zee geleyt sijn, somtijds zouden ondervloeyen.
Binnen en buyten de stadt zijn veel kleyne wateren, die seer dienstigh zijn om alle koopmanschappen naer alle omleggende steden en dorpen, die tusschen 't Vlie en de Lauwers legen, te vervoeren: maer 't gerief van de zee is aenmerckelijcker; want daer door kan men naer alle vergelegen en naburige landen varen en koophandel doen om de selve te bevorderen en vermeerderen is hier een breede haven, daer een groot getal groote schepen, die hier afvaren en aenkomen, in konnen leggen. Men siet hier oock veel kooplieden, scheepsvolck en allerley waren in overvloet.
Een ongeval schijnt dese voorspoed te minderen, 'twelck is, dat de vloet der zee allengs veel slijck en sandt in de haven werpt, waer door de groote en diep gaende schepen haer niet nader dan omtrent duysent treden konnen komen; soo datse genootsaeckt zijn in d'oude haven, Iettinga genoemt hun ancker te werpen, daerse voor de storm winden bevrijt liggen door de sanden en bancken, die daer omtrent sijn, waer de zee haer gewelt op breeckt en afstuyt. In 't uytgaen van dese haven is een kleyn eylandt, recht tegen over d'oostzijde van Vlielandt, 't welck vruchtbaer van graen is; doch heeft, om zijn kleyn begrijp, niet meer dan vier hofsteden.


Als de groote schepen op de gemelde plaets op de reeds leggen, konen de kleyne uyt de haven om haer t'ontladen, en brengen hen oock, ledigh zijnde, andere koopmanschappen aen boort, diese innemen en elders vervoeren; doch als de zee zeer hoogh is, kannen sy self in de haven komen.
Voor weynigh jaren hebben d'inwoonders zich oock tot de haringvangst begeven; maer nae vele moeyte en onkosten, konden sy hun voornemen niet met voordeel uytvoeren. Die geen koophandel doen, begeven sich tot verscheyde hantwercken; zoo datse meest alle kooplieden oft ambachts-lieden zijn. Hier wort jaerlijcks een ongelooflijcke menichte van allerley lijnwaet en seyldoeck gemaeckt. De gewoonlijcke koopmanschappen, die men daer aenbrengt en uytvoert, zijn tarwe, garst, haver, hennip, erten, boonen, en diergelijke. Van Noorwegen krijgense allerley hout, als oock piek, teer, en andere koopmanschappen van dat lant. Hier zijn vele plaetsen, daer men het hout wit maeckt, 't welck in groots menichte genoden, en met goede winst vervoert word. Ook zijn buyten de stadt op de kleyne wateren verscheyde papiermolens; en in d'omgelegen landen een menichte van steen- en kalck-ovens; in voegen, dat omtrent deze stadt tot alle de voorverhaelde dingen meer turf, dan in alle d'andere steden van Vrieslant, verbeesicht wort.
Hare straten zijn schoon, groot en suyver, erg vele met wateren doorsneden. Hier zijn een groots menighte huysen, daer onder vele nieuwe, die, zoo uyt- als inwendigh, wel versiert zijn. Sy heeft vier punten aen de lantsijde, de vijfde is bij de haven. De Marckt en 't Raethuys sijn klein genoegh, naer de grootte van de stadt. Hier is maer een Kerck, Bebouwt op dezelve plaets, daer eertijds het dorp Almeno was, eer dat het in de stadt besloten wierd.


De Magistraet bestaet in acht Burgemeesteren, die maer een jaer regeeren, nae 't welck sy soo veel andere uyt de voornaemste burgers, insonderheyt uyt de Gesworenen, kiesen, wiens namen sy met de hare naer het groote hof van Vriesland senden, 't welck terstont, uyt sijn eygen en des Gouverneurs naem, een van hare leden als Afgesant naer Harlingen send, om kennis te nemen van 't eerlijck leven en goede seden der verkorenen; dit gedaen hebbende, keert hy naer Leeuwarden, daer hy sijn wedervaren verhaelt. Dan kiest de Gouverneur in den vollen Raet acht uyt de voorgestelde tien, die het aenstaende jaer regeeren; doch met die vryheyt, dat hy van d'oude, die onlangs 't selve ampt bedient hebben, oft van de nieuwe voorgestelde, soo veel mach kiesen als hy goed vind: maer in 't gemeen neemt hy uyt yder de helft oft vier oude en vier nieuwe heeren; hoewel het oock wel gebeurt, dat men al d'oude doet blijven; somtijts neemt men oock wel al de nieuwe, oock wel van d'een meer als van d'andere na gelegenheyt. Als de verkiesing gedaen is gaet de voorseyde Raetsheer, die tevoren afgesonden was, tegen de rechte tijde weder naar Harlingen, om, in tegenwoordigheyt van 't volck, de nieuw-gekore heeren in hare ampten te bevestigen; die hare regeering beginnen met het verkiesen van acht nieuwe Wijckmeesters uyt d'oude mistraten oft voornaemste burgers, wiens ampt en vermogen is 't selve als te Leeuwarden en Franeker.


Dese acht Burgemeesteren bedienen de Justitie oft 't Gerecht aen de inwoonders, en bestieren het geheele lichaem der Gemeente: de Wijckmeesters geven hen kennis van alle noodige saken; en, als 't gewicht der handelingen het vereyscht, roept men haer in den Raet, om hun gevoelen te seggen, en te helpen besluyten. De Secretaris oft Geheymschrijver is in 't gemeen een goet Rechtsgeleerde, en heeft sitplaets in den Raet; in welck sijn gevoelen, om sijn ervarenheyt in 't gedurigh bedienen van sijn ampt, van groot gewicht is. Sy hebben noch, als die van Franeker, een ander Rechtsgeleerde, wiens gevoelen sy in 't uytspreken dier vonnissen gebruycken, van welcke de partyen sich mogen beroepen op het hooge hof te Leeuwarden.


De Stadt en burgery waren in ses wijcken en benden gedeelt: maer sedert datse verscheydemael vergroot is, heeft men alle d'inwoonders onder acht compagnien of vaendelen gestelt. Den Raet alleen stelt de Capiteynen en Vaendragers., 't welck, volgens d'instelling, jaarlijksche ampten sijn; doch sy behouden die somtijts vele jaren.
De gemelde Raet stelt oock ordre over 't waken, en doet het veranderen, vermeerderen of verminderen, naer haer goetvinden: soo dat de Capiteyns gehouden sijn hare bevelen te gehoorsamen, waer toe sy oock een Majoor oft Wachtmeester hebben, wiens ampt is 't selve als in d'andere Vriesche steden.


Dese stadt heeft ook haer Thresrier oft Schatmeester, die de gemeene penningen ontvangt en uytgeeft; en een Bouwmeester, die over de gemeene gebouwen gestelt is.


Hier is maer een kerck, als geseyt is, daer in twee Predicanten de Godsdienst verrichten, die seker een sware bediening hebben; soo om dat de gemeynte seer sterck is, als oock om het groot getal der Wederdoopers, die meê vrye oeffening van hunnen Godsdienst hebben. In dese stadt waren geen andere Gods-huysen; maer sedert eenige jaren heeft de Raet, met hulp van verscheyde Godtvruchtige burgers, de fondementen van twee der zelve, op de plaets, daer 't kasteel eertijts geweest is, geleyt, die dagelijcks toenemen en verbetert worden door de miltheydt en medooghsaemheyt der vrome lieden. Hier is ook een Schole, daer een Rector en drie Meesters, om de jeught in de Griecksche en Latijnsche talen, en de beginselen der vrye konsten te onderwijsen, gestelt sijn.